Coöperatieve werkvormen, welke zijn er allemaal, en hoe pas je ze toe?

Coöperatieve werkvormen, welke zijn er allemaal, en hoe pas je ze toe?

Coöperatieve werkvormen zijn goede werkvormen om samenwerken te oefenen. Samenwerken is een vaardigheid die kinderen nodig hebben om goed te kunnen functioneren in de samenleving.
Door met elkaar samen te werken praten kinderen met elkaar over de leerstof. Ze zijn er actief mee bezig en leren van elkaar. “Sterke” leerlingen werken samen met “zwakkere” leerlingen.  Leerlingen krijgen meer inzicht in de leerstof door het elkaar uit te leggen.
Door samenwerken leren kinderen elkaar beter kennen, onstaat er begrip voor elkaar en zijn ook bereid elkaar te helpen.

Er zijn verschillende coöperatieve werkvormen die je kunt gebruiken bij het leren:

1. Denken – Delen – Uitwisselen (circa 5 minuten)

De leerkracht geeft een vraag of opdracht, de leerlingen denken kort na en schrijven hun antwoord op. Daarna in tweetallen het antwoord bespreken en uiteindelijk klassikaal uitwisselen.  Geschikt voor open vragen, mening geven, maar ook voor het activeren van voorkennis.

2. Flitsen (10-15 minuten)

De kinderen maken flitskaartjes, bijvoorbeeld van de tafel van 6, som voorop, antwoord achterop. In tweetallen bevragen de kinderen elkaar, en controleren elkaars antwoord.
Kinderen geven elkaar hierbij complimenten als het goed gaat. Bij het goede antwoord worden de flitskaarten uitgewisseld.
Geschikt voor automatiseren en feitenkennis bij taal, rekenen en de zaakvakken.

3. Om-de-beurt (5-10 minuten)

De kinderen vormen tweetallen en de leerkracht stelt een vraag waarbij meerdere antwoorden mogelijk zijn. Bijvoorbeeld: Maak zoveel mogelijk sommen met de uitkomst 24. Om de beurt geven de kinderen antwoord.

4. Dobbelen (15 – 30 minuten)

In de groep wordt een tekst gelezen en besproken. Daarna gaan de kinderen in groepjes zitten. De eerste dobbelt met de dobbelsteen, waarop bijvoorbeeld de woorden wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe staan. Met het woord dat bovenop komt wordt een vraag bedacht over de tekst. De rest van het groepje geeft antwoord op de vraag. Vragen en antwoorden worden opgeschreven en enkele worden klassikaal nabesproken. Heel geschikt voor tekstbegrip bij begrijpend lezen en zaakvakken.

5. Duo’s (10 – 15 minuten

Tweetallen maken om de beurt één opgave. Eén maakt, de ander kijkt en geeft hulp indien nodig. Er wordt hardop gedacht zodat de ander weet hoe de opdracht wordt aangepakt. Complimenten geven is ook hier weer belangrijk, en bij een fout antwoord samen de oplossing proberen te vinden. Geschikt voor allerlei soorten opdrachten, bijvoorbeeld rekensommen of zinsontleding.

6. Imiteer (10-15 minuten)

De leerkracht maakt heterogene groepjes van vier leerlingen. Die gaan in tweetallen tegenover elkaar zitten. Ze maken van karton (of mappen) een wandje, zodat ze niet kunnen zien wat de ander achter de wand doet. Één tweetal maakt een ontwerp, op papier of van blokken. Als dat klaar is, moet het andere tweetal dit ontwerp namaken. Ze mogen niet kijken, maar alleen vragen stellen. Als de tweede groep klaar is met imiteren, dan vergelijken de kinderen het resultaat. Ze bespreken na wat wel goed ging en –als de ontwerpen verschillen- wat een volgende keer beter kan.

7. Interviews (10-15 minuten)

Tweetallen bedenken vragen over een onderwerp dat de leerkracht aandraagt.Leerling 1 interviewt leerling 2, en andersom. Bevindingen worden klassikaal besproken.
Een prima werkvorm om meningen, oplossingsstrategieën en informatie uit te wisselen.

8. Woordenweb (15 minuten)

Elke groep krijgt een groot vel papier. De groepsleden hebben elk een eigen kleur stift, zodat goed te zien is wat het aandeel is geweest van elke leerling. Midden op het vel papier staat in een cirkel/vierkant het onderwerp of begrip. Om de beurt, met de wijzers van de klok mee, schrijven de kinderen iets op wat dit bij hen oproept. tekenen mag ook. Daarna geven de kinderen met pijlen en lijnen aan wat de begrippen met elkaar te maken hebben en worden de woordenwebben opgehangen en toegelicht. Heel goed geschikt voor het activeren van voorkennis.

9. Brainstorm (10-15 minuten)

Bij het brainstormen geeft de leerkracht een opdracht aan de groepjes. Bijvoorbeeld: Bedenk op welke manieren je energie kunt besparen. De kinderen moeten proberen om zo snel mogelijk ideeën in te brengen. De inbreng van ieder kind is belangrijk, er is geen goed of slecht idee. Ze krijgen hiervoor een aantal minuten, en één kind schrijft. Daarna wordt de brainstorm klassikaal besproken.

10. Genummerde hoofden (5 minuten)

De kinderen in een groepje krijgen allemaal een nummer. De leerkracht stelt een vraag (bijvoorbeeld: wat betekent het woord…..) en elk kind moet na zoveel minuten het antwoord weten. Iedereen denkt voor zichzelf na en schrijft een antwoord op. Dan steken de kinderen hun hoofden bij elkaar en om de beurt brengen ze hun antwoord in en komen samen tot een antwoord.De leerkracht noemt een nummer en de kinderen met dat nummer steken hun hand op en geven het antwoord op de vraag.

11. Legpuzzel (1 of meer lessen)

De leerstof wordt verdeeld in gelijkwaardige delen, en de kinderen worden verdeeld in heterogene groepen (stamgroep). De kinderen bedenken een groepsnaam of -logo en de leerkracht nummert de leden van de groepen. De nummers 1 gaan bij elkaar zitten enzovoort (expertgroepen). De leerkracht verdeelt de deelonderwerpen. en vertelt wat de uitkomst van het groepswerk moet zijn. (presentatie, werkstuk) De expertgroepen bestuderen hun onderdeel van de stof, en de kinderen keren daarna terug naar hun stamgroep en vertellen om beurt wat ze geleerd hebben in de expertgroep. De informatie wordt bij elkaar gevoegd tot het eindresultaat. Uitermate geschikt voor zaakvakken.

12. Placemat (10-15 minuten)

Iedere groep van vier krijgt een vel papier, met daarop in het midden een rechthoek met vanuit de hoeken van de rechthoek lijnen getrokken naar de hoeken van het papier. De leerkracht geeft een opdracht en de kinderen schrijven eerst voor zichzelf hun antwoorden/ideeën op. Na een bepaalde bedenktijd proberen de groepjes tot een gezamenlijk antwoord te komen en schrijven dit in de rechthoek. Na afloop praten over hoe de samenwerking verliep.

13. Puzzels (10-15 minuten)

De kinderen gaan in groepjes van vier zitten en krijgen een envelop met vier of acht
kaartjes. Ieder kaartje bevat een stuk van een tekst. De kinderen lezen om de beurt hun stukje tekst voor, ze moeten goed luisteren en leggen daarna de stukken van het verhaal in de goede volgorde en schrijven een korte samenvatting van het verhaal en één kind vertelt waar het verhaal over gaat.

14. Rotonde (5-10 minuten)

De leerkracht geeft elke groep een opdracht en de kinderen geven om de beurt antwoord (mondeling/schriftelijk). Dit zijn dus vragen waar meerdere antwoorden mogelijk zijn. (noem antwoorden van sommen uit de tafel van 6 bijvoorbeeld). Enkele kinderen mogen de resultaten van hun groep vertellen.

15. Binnencirkel – buitencirkel (10-15 minuten)

De leerkracht vormt tweetallen. Binnen een tweetal is een leerling nummer 1 en de ander 2. De nummers 1 vormen een cirkel, als de cirkel er staat zoeken de nummers 2 hun partner op en gaan daar achter staan. De nummers 1 draaien zich om en kijken naar hun partner.
De leerkracht stelt een vraag en de kinderen in de buitencirkel geven antwoord, de kinderen uit de binnencirkel luisteren. Daarna andersom . De vragen kunnen meningsvragen zijn, of vragen over een tekst.
Vervolgens schuift de buitencirkel 5 plaatsen door en worden zo nieuwe tweetallen gevormd.

16. Hoeken (10-15 minuten)

De leerkracht geeft toelichting bij de hoeken. Bijvoorbeeld met vier schilderijen, welke vind je het mooist.
De kinderen kiezen een hoek, schrijven eerst hun keuze op en waarom. Dan lopen ze naar de hoek en vormen een tweetal in die hoek en praten erover. Daarna een tweetal vormen met iemand uit een andere hoek en praten er weer over en wisselen argumenten uit.
Daarna weer terug en vertellen daar weer waarom de ander voor die andere hoek heeft gekozen.

17. Wandel – Wissel uit (circa 5 minuten)

De kinderen verspreiden zich en lopen rond. Zodra de leerkracht “Sta stil” roept stoppen de kinderen en vormen een tweetal met het kind dat het dichtst bijstaat. De leerkracht stelt een vraag of geeft een opdracht en de kinderen wisselen hun antwoord uit.

Zo, dit waren een heleboel werkvormen, en sommige lijken best veel op elkaar. Het gaat om het samenwerken, luisteren naar elkaar en het gehoorde weer kunnen doorvertellen.
Op het internet zijn best veel voorbeelden te vinden.

Volg juf Marjan via Facebook en blijf op de hoogte.

Boeken over coöperatieve werkvormen:

Eén gedachte over “Coöperatieve werkvormen, welke zijn er allemaal, en hoe pas je ze toe?

  • 8 augustus 2018 om 18:19
    Permalink

    Wow, dit is superhandig. Dit maakt het voor de kinderen veel leuker!

    Beantwoorden

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: